2018-11-04


Bij Marcus 12, 18-27

Want wanneer de mensen uit de dood opstaan, trouwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, maar zijn ze als engelen in de hemel. 26 Wat betreft de opwekking van de doden, hebt u in het boek van Mozes in het gedeelte over de doornstruik niet gelezen dat God tegen hem zei: “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob”? 27 Hij is geen God van doden, maar van levenden; u dwaalt vreselijk!’


Het zal in de tijd van de Koninklijke huwelijken zijn geweest, lang geleden inmiddels, dat de dominees Carel en Nico ter Linden uitgenodigd waren in een televisieprogramma om samen geïnterviewd te worden. En ook al bleef het onuitgesproken, iedere kijker wist dat de vragenstellers zelf met het christelijk geloof niet veel hebben. De vraag die mij uit dat interview is bijgebleven was die naar het hiernamaals. De ondertoon leek wel wat op die van de Sadduceeën uit het verhaal van vandaag. Vragen naar iets waar je zelf niet in gelooft.

Nico ter Linden gaf met een brede glimlach antwoord. ‘Ja zeker’, zei hij. ‘Daar geloof ik zeker in. En mocht straks toch blijken dat het ander is, dan heb ik mijn hele leven uit dat geloof moed en troost en kracht geput, en er veel aan gehad.’ Of woorden van gelijke strekking. Want we weten het niet. Zover kunnen we niet kijken. De Sadduceen niet, Nico ter Linden niet, en wij niet. En we weten al helemaal niet hoe het er in de hemel, of in een leven na dit leven uit zal zien. We kunnen daar alleen in beelden over denken. En er in geloven. Zo is het ook met het geloof in de opstanding van de doden, dat daar dicht naast ligt. Hoe dat allemaal precies zal zijn? Wie het weet mag het zeggen….

De Sadduceeën geloofden niet in de opstanding der doden. Zij hielden zich strikt aan de Torah, alleen aan de boeken van Mozes, de eerste vijf in onze bijbel. In hun kritische vraag – hoe zit dat dan met de opstanding als een vrouw 7x getrouwd is geweest - toetsen zij Jezus aan hun eigen onwrikbare norm. Hun vraag is een strikvraag. Want als Jezus de regels van Mozes niet hooghoudt dan weten zij zeker dat hij niet deugt. Dus: Hoe werkt dat dan? Zo’n opstanding der doden? Stel…

En dan volgen die 7 broers, die ieder op hun beurt dezelfde vrouw nemen. En zo maken de Sadduceën in hun vraag een karikatuur van het leviraatshuwelijk, zoals dat onder andere beschreven is in het boek Deuteronomium. Het leviraatshuwelijk was bedoeld om een weduwe en haar eventuele kinderen op te vangen, en een toekomst te geven. Het was een maatschappelijke maatregel vóór alle sociale wetgeving uit, om verantwoordelijkheid te nemen voor je naasten, zodat zij ook nà de dood van een kostwinner leven konden. En nageslacht verwekken heeft alles te maken met toekomst. Ook van de onze. Of het nou om je eigen kinderen gaat of niet. Zonder nageslacht loopt het leven dood.

Je dwaalt, is het eerste wat Jezus terugzegt. Om te beginnen ken je blijkbaar de Schrift toch niet zo goed. Anders gezegd:  je hebt de bedoeling van het Leviraatshuwelijk  - over leven na de dood gesproken –blijkbaar niet begrepen, ook al staat dat wel in de boeken van Mozes beschreven. En de macht van God, die ken je blijkbaar ook niet. Want dan zou je toch weten, dat die niet samenvalt met welk geschrift dan ook. Ook niet met de 5 boeken van Mozes.

Overigens ook niet met onze bijbel. Of met de christelijke kerk. Of met dit gebouw. De macht van God valt niet samen met wat mensen ervan maken. Die is altijd anders, groter, verrassender, dan denkbaar is. Voor Sadduceeën zo goed als voor ons. Dat is tegelijk de moeilijkheid met geloven. Dat het vraagt om een grote openheid voor wat we niet weten, en niet kunnen weten. Geloof vraagt om verbeelding. Om vertrouwen. Hoe modern, goed opgeleid en kritisch je ook zijn mag: de platte werkelijkheid is niet het hele leven. We kunnen wel denken dat de wereld plat is, omdat we die zo zien…. maar de werkelijkheid van het verifieerbare vertelt ons niet ons hele verhaal.

Daarom is het voor jonge kinderen zo eenvoudig om te geloven. Zij hebben verbeeldingskracht te over. Zij vragen niet wat de sadduceen vragen, of het praatprogramma op televisie, of de voorspelbare vraag ‘is het wel echt gebeurd’ of verifieerbaar waar. Het zijn de vragen die wij moderne mensen op de grens van volwassenheid leren vragen. Als wij geacht worden de verbeelding af te leggenMaar zonder verbeeldingskracht gaat het niet in het leven. En zonder vertrouwen ook niet.

Wanneer de mensen uit de dood opstaan, als we ons dat al kunnen indenken, dan zijn de mensen als engelen, zegt Jezus. Die prachtige verbeelding van wat het is om te leven met God. Om van God te zijn. En drager van zijn boodschap. Het is een onnavolgbaar beeld. De mooiste engel die ik ooit zag, ik heb dat al eerder verteld, was in een film van Wim Wenders, ‘der Engel über Berlin’, waarin gaandeweg blijkt dat inspecteur Columbo, in zijn smoezelige regenjas, een engel is. Onvermoed, niet samenvallend met de stereotiepen. Gods kracht die zich laat gelden, altijd weer nieuw en anders dan je zou denken. Dat had Wenders heel goed begrepen. Beter dan de Sadduceeën.

En dan gaat het helemaal niet meer over trouwen, en al helemaal geen 7 keer, en… voor de goede verstaander voegt Jezus daar aan toe, dan worden mensen ook niet meer uitgehuwelijkt. Prachtig hoe hij in zijn antwoord daarmee ook die vrouw haar plaats geeft. Zij die in het voorbeeld van de Sadduceeën alleen object is, verbonden met de werkwoorden hebben en nemen. Ook dat zal niet meer zijn.

In de eeuwen voor Jezus was geloof in de opstanding ook al een duidelijke stroming in het jodendom. We vinden daar sporen van in de boeken van de Makkabeeën, maar ook al eerder in Daniël, en bijvoorbeeld bij de profeet Hosea. Waar onrecht groot is, mensen onrecht wordt gedaan, de toekomst wordt gesloten en doodloopt, daar is het geloof sterk in God die recht zal doen. Die het goed zal maken, en toekomst geeft. Want het leven kan en màg niet doodlopen. Dat vloekt met God die schept, en nieuw leven geeft. En als het hier op aarde niet is dan toch in ieder geval na de dood.

                        God geve mij, Jeruzalem, dat ik eens op een dag,

                        een pelgrim aan uw poorten ben en dat ik binnen mag.

                        De stroom des levens vloeit maar aan, de straten in en uit

                        waarlangs de hoge bomen staan, het groene levenskruid,



                        en eng’len zitten op een rij, als vogels in een boom,

                        de vreugde gaat er nooit voorbij, het is als in een droom.


                        David is daar met harp en al, koormeester van de stad,
 
  
                      Maria, denkend aan de stal, zingt het magnificat.



                        En Luther zingt er als een zwaan en Bach, de grote Bach

    
                    die mag de maat der eng’len slaan, de lieve lange dag.

                        De negers met hun loftrompet, de joden met hun ster,
                        
wie arm is, achteropgezet, de vromen van oudsher,

       

                        van alle kanten komen zij de lange lanen door,
 
                        
het is een eindeloze rij, de kinderen gaan voor.     (uit lied 737)

 

Bloemen illustratie
Illustratie

Kerkdiensten

Agenda

Actueel

Over ons

Kerkblad 'Onderweg'

Doen

Contact




RSS Feed

powered by Mahieu